Perfectie, vriend of vijand?

Benedict Koopmans • 10 september 2025

“Je moet het loslaten", "een 6 is ook voldoende" of "het hoeft niet altijd perfect te zijn."

Heel vervelend vond ik het als dit tegen mij werd gezegd. Want loslaten, hoe dan? En waarom zou ik genoegen nemen met minder, als je diep vanbinnen voelt dat het beter kan? Ik heb er lang mee geworsteld, en het heeft lange tijd mijn ontwikkeling als ruiter in de weg gestaan. Strakke proeven, correct rijden en poetsen tot alles glom. Alles draaide om precisie en controle.

Binnen de paardensport kom ik perfectionisme vaak tegen. Sterker nog: het is bijna een eigenschap die in deze sport wordt beloond. Het is dan ook niet gek dat veel ruiters de lat hoog leggen. Maar wanneer die lat té hoog wordt, verandert perfectionisme van een kracht in een valkuil.


Waar perfectionisme zichtbaar wordt

Veel ruiters die ik begeleid, ervaren wedstrijdspanning die rechtstreeks te maken heeft met perfectionisme. Ze willen het té goed doen. Elke fout voelt als falen. Elke 7 voelt als een gemiste 8. Dat verlangen naar perfectie leidt vaak tot te veel druk op het eigen presteren, overmatige focus op fouten in plaats van op ontwikkeling en spanning die ook het paard overneemt. Wat begint als motivatie, eindigt soms in blokkade.


Perfectionisme insluiten

Vanuit een systemische benadering kijk ik anders naar perfectionisme. Het is niet iets dat je “af moet leren” of “weg moet stoppen”. Integendeel: het vraagt om erkenning. Perfectionisme heeft namelijk een functie gehad in jouw systeem, het kan bijvoorbeeld een manier zijn geweest om erbij te horen, waardering te krijgen of controle te houden in een onzekere omgeving.

Wanneer je perfectionisme wegduwt of ontkent, wordt het vaak alleen maar sterker. Pas wanneer je het insluit, dus erkent dat het er is en dat het je ook iets heeft gebracht, ontstaat er ruimte om er anders mee om te gaan. Je hoeft je perfectionisme niet kwijt te raken; je mag het zien als een deel van jou dat je ooit geholpen heeft, maar dat nu soms te dominant aanwezig is.

Die erkenning geeft rust. Vanuit daar kun je gaan kiezen: waar helpt perfectionisme mij nog? En waar mag ik het zachter zetten om meer vrijheid en plezier te ervaren?


Hoe help je een perfectionist?

Het belangrijkste is: niet zeggen dat ze "minder moeten willen". Voor een perfectionist voelt dat als een onmogelijke opdracht. Je ontneemt ze hun drive, zonder een alternatief te geven.

Wat wél werkt?

  • Verleg de focus van het eindresultaat, naar het proces. “Welke stap heb je vandaag beter gedaan dan gisteren?”;
  • Fouten leren zien als informatie hoe het anders kan, in plaats dit te zien als bewijs van falen;
  • Door je bewust te worden van spanning in lichaam en hoofd, zodat je leert schakelen vóór het te veel wordt;
  • Verbind je perfectionisme met plezier: waarom ben je ooit begonnen met rijden? Presteren vanuit plezier haalt de druk naar beneden.


Hoe juist niet?

  • Zeggen dat ze "gewoon moeten ontspannen";
  • Resultaten bagatelliseren (“een 6 is toch ook mooi”);
  • Hun perfectionisme volledig willen afpakken. Want die drang naar kwaliteit is óók de bron van hun succes.


Perfectionisme als kracht

Perfectionisme hoeft geen vijand te zijn. Het kan juist een enorme motor zijn voor ontwikkeling, zolang het in balans blijft. De kunst is om de scherpe randjes eraf te halen: streven naar kwaliteit, zonder jezelf vast te zetten in een kooi van verwachtingen. Uit ervaring weet ik dat het niet eenvoudig is om perfectionisme in te sluiten, maar met hulp is er veel mogelijk. Ben jij opzoek naar hulp? Dan kijk ik graag samen met jou hoe we van jouw perfectionisme, weer een kracht kunnen maken!

Stuur een bericht.


door Benedict Koopmans • 1 oktober 2026
Zelf heb ik me jarenlang aangepast aan wat ik dacht dat de ander van mij nodig had. Uit loyaliteit, uit liefde en misschien ook vanuit de overtuiging dat ik de ander niet mocht teleurstellen. Ik werd steeds beter in rekening houden met anderen, terwijl ik steeds minder stilstond bij wat ik zelf voelde, wilde en nodig had. En ergens onderweg raakte ik verwijderd van wie ik in de kern ben. Op de foto die Nascha afgelopen voorjaar van mij maakte, trek ik letterlijk mijn jas uit. Terwijl ik de foto terugkeek, moest ik denken aan de jassen die we figuurlijk allemaal weleens aantrekken. Waardering van anderen Soms trekken we zo’n jas bewust aan, maar vaak gebeurt het geleidelijk en merken we pas veel later dat we onszelf ergens onderweg zijn kwijtgeraakt. Jassen die ons beschermen, die ervoor zorgen dat we erbij horen en dat anderen tevreden zijn. Ik denk dat dit bij veel mensen gebeurt. We leren al vroeg om rekening te houden met anderen, om aardig gevonden te worden, om goed te presteren en om aan verwachtingen te voldoen. Daar is op zichzelf niets mis mee. We hebben elkaar nodig en het is heel menselijk om gezien, gewaardeerd en bevestigd te willen worden. De vraag wordt interessant wanneer de waardering van anderen bepalend wordt voor hoe we onszelf zien. Wanneer je na een wedstrijd vooral wilt weten wat je trainer ervan vond. Wanneer je een beslissing neemt en eigenlijk eerst wilt horen of een ander denkt dat het een goede keuze is. Wanneer je iets deelt en vervolgens steeds kijkt naar de reacties. Of wanneer je jezelf vergelijkt met anderen en hun succes gebruikt als maatstaf voor hoe goed jij het doet. Voor sporters kan dat heel subtiel gebeuren. Je rijdt een goede proef, maar bent pas echt tevreden wanneer je trainer enthousiast reageert. Je maakt een fout en bent vervolgens vooral bezig met wat de jury, je trainer, je ouders of de mensen langs de ring daarvan zullen denken. Je gaat harder trainen omdat je jezelf wilt bewijzen, terwijl je ergens onderweg vergeet te voelen waarom je eigenlijk zo graag sport. Dan kan presteren steeds meer gaan voelen als een manier om jezelf te bewijzen. Aan anderen, maar uiteindelijk misschien ook aan jezelf. Zelfvertrouwen onder druk Als ik kijk naar veel van de thema’s waarmee ik als sportpsycholoog en high-performance coach werk, komt zelfvertrouwen daar steeds weer in terug. Prestatiedruk, perfectionisme, omgaan met fouten, de behoefte om jezelf te bewijzen, de mening van anderen en de spanning van een wedstrijd lijken verschillende onderwerpen, maar raken vaak aan dezelfde onderliggende vraag: Kan ik op mezelf vertrouwen, ook wanneer het spannend wordt? Wanneer je prestaties steeds meer gaan bepalen hoe je over jezelf denkt, komt er bij iedere wedstrijd ineens veel meer op het spel te staan dan alleen die wedstrijd. Een fout wordt dan niet zomaar een fout. Een mindere score kan voelen als een bevestiging dat je tekortschiet. En een goede prestatie geeft weliswaar voldoening, maar soms ook slechts tijdelijk, omdat je jezelf daarna opnieuw moet bewijzen. Dat kan de druk behoorlijk verhogen. En juist daarom vind ik zelfvertrouwen zo’n interessant onderwerp binnen de sportpsychologie. Het gaat voor mij niet alleen over de gedachte “ik kan dit”. Het gaat ook over vertrouwen in je eigen oordeel, je eigen gevoel en je vermogen om met de gevolgen van je keuzes om te gaan. Je hoeft daarbij niet overal zeker van te zijn. Je mag twijfelen, advies vragen en geraakt worden door wat een ander van je vindt. De basis blijft alleen bij jezelf liggen. Ambitie en eigenwaarde Ook in de sport betekent dat voor mij niet dat een resultaat er niet toe doet. Natuurlijk wil je presteren. Je wilt groeien, doelen behalen en het beste uit jezelf en je paard halen. Ambitie hoeft helemaal niet het probleem te zijn. Er ontstaat iets anders wanneer je resultaat bepaalt hoeveel vertrouwen en waardering je jezelf op dat moment geeft. Je kunt ontzettend ambitieus zijn en tegelijkertijd leren dat jouw waarde niet iedere keer opnieuw bewezen hoeft te worden. Dat is misschien wel een van de belangrijkste dingen die ik zelf heb geleerd. Je kunt hoge eisen aan jezelf stellen en tegelijkertijd leren om jezelf niet voortdurend te hoeven bewijzen. Weer leren luisteren naar jezelf Dat vertrouwen ontstaat ook niet ineens. Je bouwt het op door jezelf serieus te nemen. Door te luisteren naar wat er in je speelt, door grenzen aan te geven wanneer iets voor jou niet klopt en door keuzes te maken die passen bij wie je bent. Soms betekent dat ook dat iemand anders teleurgesteld is of je keuze niet begrijpt. Dat kan ongemakkelijk zijn, zeker wanneer je gewend bent om jezelf aan te passen. Juist daar zit voor mij een belangrijk stuk groei. Kun je bij jezelf blijven wanneer iemand anders iets anders van je vindt? Kun je jezelf blijven waarderen wanneer je een fout maakt? En durf je een keuze te maken omdat jij voelt dat die bij je past, ook wanneer je vooraf niet weet hoe anderen daarop zullen reageren? Daar begint voor mij steeds meer zelfvertrouwen te ontstaan. De jas uitdoen betekent voor mij daarom niet dat je je afsluit voor de mening van anderen of niemand meer nodig hebt. Het betekent dat je jezelf weer een plek geeft in het geheel. Dat je jezelf opnieuw de vraag durft te stellen: wat vind ík eigenlijk, wat wil ík en wat past bij mij? Een mooie vorm van zelfvertrouwen zou kunnen zijn: weten dat je mag luisteren naar anderen, terwijl je jezelf ondertussen niet meer uit het oog verliest. Ook wanneer de druk hoog is. Ook wanneer er iets op het spel staat. Ook wanneer je graag wilt laten zien wat je kunt. Welke jas draag jij? Dus als je vandaag een jas aantrekt, vraag jezelf dan eens af welke delen daarvan echt van jou zijn en welke je misschien al jaren draagt omdat je ooit hebt geleerd dat ze nodig waren om erbij te horen. En misschien durf je hem af en toe gewoon uit te trekken.
door Benedict Koopmans • 12 augustus 2026
5 manieren om een ruiter echt te helpen
Meer posts